Html5 Menu Tag by Css3Menu.com

 

Afgeronde rechthoek: Indringend pleidooi
 


postit

 

 

 

De twijfel zit bij veel gelovige tijdgenoten maar net onder de oppervlakte. En zodra ze de kop opsteekt, blijkt ze veel dieper geworteld dan men zelf vermoedde.’ Twee predikanten, Paul Visser (Amsterdam) en Kees van Ekris (Zeist), roepen op tot een grondige bezinning op de innerlijke secularisatie waaraan ze veel kerkgangers ten prooi zien vallen. Vaker dan hun lief is, ontmoeten ze in het pastoraat vermoeide zielen, die het geloof eigenlijk beu zijn. Dat plotselinge ‘leeglopen van het geloof’ gebeurt niet aan de rand, maar midden onder jarenlang toegewijde gelovigen. Een indringend pleidooi in twee afleveringen. Paul Visser begint met een bijdrage over hoe de geloofsstrijd is verdwenen. In de komende vier kerkbladen zullen we daar telkens een deel van plaatsen.

 

Geloof onder kerkgangers verdwijnt

Als ik de balans opmaak van wat ik vlak om me heen en breder zie, dan is de conclusie even zorgwekkend als onontkoombaar: het geloof dreigt onder trouwe kerkgangers meer en meer te verkruimelen. Je merkt het aan allerlei signalen: aan kerkgang zonder verlangen naar de ontmoeting met God, aan Bijbellezen zonder verwachting en verrassing, aan kwijnend gebedsleven. Eerlijk gezegd ontmoet ik te vaak mensen die het geloof beu zijn. Een belangrijke oorzaak daarvoor is gelegen in het feit dat het geloof ongemerkt en sluipenderwijs tot ‘gemeengoed’ is geworden. Het is niet langer een gave van God, door twijfel, verwarring en aanvechting verworven.

 

het spande erom

Zelf sta ik in een traditie waarin God niet automatisch jouw God was en jij niet vanzelfsprekend zijn kind. God moest gezocht en gevonden worden. Sterker nog: het ging erom dat jij door Hem gezocht en gevonden werd. Je was niet bij voorbaat gered, je was van nature verloren. Intussen was je in de doop wel het beslissende toegezegd. Maar dat lag niet voor het oprapen. God is niets aan ons verplicht, maar wel alles verplicht aan zichzelf – en daarmee aan ons. In die beloftevolle spanning kwam het aan op een diepe doorleving. Het spande erom om van Hemzelf te vernemen en er zo van overtuigd te raken, dat Hij jou genadig is. In die strijd tussen hoop en vrees kon het er heftig aan toe gaan. God kon nabij komen en eindeloos ver weg zijn. Je kon in de ban zijn van de twijfel aan zijn bestaan als je dagen en nachten niks van Hem vernam. En er kon een diep vertrouwen geboren worden als Hij van zich liet horen. Het was een strijd met God, óm God. Het gevolg was een geloof dat was verankerd in de Levende zelf. Wars van alle zelfverzekerdheid en tegelijk zekerder dan wat ook maar. Het was het geloof dat door de diepten van ‘verliezen en verloren zijn’ was heen gegaan; het geloof als vrucht van bange worsteling en verrassend geschenk van God. Kostbaar, omdat het je niet was komen aanwaaien of was aangepraat. Weerbaar, omdat het door allerlei innerlijke vertwijfeling was heen gegaan, gehard en gestaald in het gevecht: ‘ik laat U niet gaan, tenzij U mij zegent’. Ik weet helaas maar al te goed dat dit type existentiële strijd in de gereformeerde traditie tot Afbeeldingsresultaat voor afstand god tot mensveel vrome misstanden heeft geleid: geestelijk navelstaren, eindeloos wroeten in je ziel, levenslange heilsonzekerheid. Die uitwassen laten onverlet dat elke generatie op de een of andere manier door dit gevecht heen zal moeten, wil het daadwerkelijk en persoonlijk hoop krijgen op God, geworteld raken in Christus en gevoed worden door de Geest.

 

aangepraat

Zou het kunnen zijn dat een opgroeiende generatie van kinds af aan inmiddels te veel wordt aangepraat dat Jezus op voorhand je beste vriend is? De gevolgen daarvan zie ik om me heen: geloof als het sluitstuk van een redenering, zonder daadwerkelijke bekering, zonder ‘goede strijd’ om met God in het reine te komen. Een geloof ‘van horen zeggen’, zonder zelf zijn overtuigende stem te hebben vernomen. Een geloof dat je jezelf voor een appel en een ei hebt eigengemaakt. Maar een geloof dat daarom ook voor de eerste de beste schotel linzen van de hand kan worden gedaan. Daarmee zijn we bij de kern. Een geloof dat niet op leven en dood is verworven, wordt niet als een kostbaar geschenk gekoesterd. Het is niet bestand tegen de kritische vragen van een wereld die het zonder God ook prima voor elkaar heeft. Het is evenmin opgewassen tegen de harde werkelijkheid van alledag, waarin je vaak bitter weinig van God gewaar wordt. De twijfel zit bij velen maar net onder de oppervlakte. En zodra ze de kop opsteekt, blijkt ze veel dieper geworteld dan men zelf vermoedde. Geruisloos valt het geloof af, als een verdord blad van een boom. Geloof dat niet ontvonkt is aan de omgang met God, met alle verbijstering en verrukking van dien, wordt op den duur een saaie bedoening. Het wordt een riedel, die je steeds minder raakt en die je na verloop

 

(Wordt vervolgt)